Limnisa writing community - Greece

Limnisa writing community - GreeceLimnisa writing community - GreeceLimnisa writing community - Greece

Limnisa writing community - Greece

Limnisa writing community - GreeceLimnisa writing community - GreeceLimnisa writing community - Greece
  • Aanmelden
  • Account maken

  • Mijn account
  • Aangemeld als:

  • filler@godaddy.com


  • Mijn account
  • Afmelden

Aangemeld als:

filler@godaddy.com

  • Home
  • Retreats
  • Competition 2026 Results
  • Writers' lab
  • F.A.Q.
  • Winning stories 2025
  • Winning stories 2026

Account


  • Mijn account
  • Afmelden


  • Aanmelden
  • Mijn account

Winnende verhalen 2026

1. Het zou hier Brussel moeten heten - Jan Truijens Martinez

Als ik aan Brussel denk, dan denk ik aan een man met lijstjes. Aan geitenkaassushi. Aan jou. Tijdens mijn stage bij De Brauw mocht ik een week op bezoek bij hun Brusselse kantoor. ‘We hebben een studentenappartement,’ zei HR toen ik vroeg of ze een hoteltip hadden. ‘En je treinkaartje ligt op je bureau.’
 Eerste klas.
 In mijn net te kleine pak reed ik naar Brussel. Een satellietkantoortje met een partner en twee medewerkers. Daar hielp ik met het uitzoeken van jurisprudentie, at een broodje met de secretaresse in het park en keerde ’s avonds alleen terug naar het appartement. Het rook naar zaagsel, alsof de meubels de vorige avond in elkaar waren gezet.
 Op mijn vierde avond namen ze mij mee uit eten, naar een restaurant met witte handschoenen. ‘Dit is geen Amsterdam,’ zei de partner. Ik volgde zijn voorbeeld en legde het linnen servet op mijn schoot, doopte mijn brood in de olijfolie, rook aan de wijn. Hij vroeg naar welke bands ik luisterde, of er nog nieuwe restaurants in Amsterdam waren, welke boeken ik las. Ondertussen tikte hij driftig op zijn BlackBerry. Hij hield graag lijsten bij.
 ‘Van wat?’
 ‘Alles.’ Hij liet me zijn telefoon zien en scrolde langs de verschillende onderwerpen: Bergtoppen, riemen, Italiaanse broodjeszaken. Rij na rij.
 ‘Het is net een spier,’ zei hij. ‘Wat je niet bijhoudt verdwijnt.’
 ‘En dit doe je in het weekend?’
 Hij schudde zijn hoofd. ‘Het is voor later. Als ik meer tijd heb.’
 ‘Maar je hebt nooit tijd Rogier,’ zei een van de medewerkers.
 Ze proostten en lachten net iets te hard. Vettige vingerafdrukken bedekten mijn glas.
 ‘Had je nog plannen vanavond?’ vroeg de andere medewerker. ‘Anders kennen we nog een m-’  
 ‘Ik heb vrienden in Brussel.’
 Voor het eerst knelde mijn pak niet meer. Niet dat het waar was. Jij was nog niet in Brussel en wij waren geen vrienden.
 

‘Ik kan wel langskomen,’ had je gezegd.
 ‘Dat doe je toch niet.’
 De volgende dag stuurde je dat je in de trein zat. We hadden telefoons, maar dit was voor het locatiedelen, voor overal bereik. De afstand was nog niet helemaal opgegeven.
 Waar het appartement was, herinner ik me niet meer. Alleen de smalle straat, de nachtwinkel, de geur van warm asfalt. Je stond al te wachten. Een klein rugtasje over je schouder, kijkend naar het gebouw. Aandachtig, alsof je aantekeningen maakte. Ik vertraagde mijn pas, deed alsof ik de hoek om kwam slenteren en opende de bovenste knoop van mijn overhemd.
 ‘Jij hier?’ zei ik.
 Je glimlachte. ‘Mooi pak.’
 Ik sloeg mijn armen om je heen en tilde je op. Je was licht, te licht bijna. Met mijn neus tegen je hals gedrukt, ademde ik diep in. Ik rook je reis, jou. De geur scherp, alsof je te lang in dezelfde kleren had geslapen. Met een arm om je heen opende ik de deur en onderdrukte de neiging om over mijn schouder te kijken.
 Boven lagen mijn kleren nog in mijn koffer.
 ‘Ik dacht dat je maandag was aangekomen.’
 ‘Het was druk,’ zei ik, terwijl je jouw kleren in de kast legde en je meegebrachte pantoffels aandeed. Mijn telefoon lichtte op. Ik draaide hem om.
 Je sloot je ogen en ademde diep in. ‘Alles ruikt nieuw.’
 Je had nog niets gegeten en ik alleen maar liflafjes. Op de hoek vonden we een sushirestaurant. Binnen rook het naar schoonmaakmiddel. We bestelden wat ze nog hadden. Omlet onigiri, inktvissashimi, zalmrollen met geitenkaas.
 We proefden, lachten om elkaars verwrongen gezichten, haalden een fles wijn en wat chips bij de nachtwinkel. Maar boven lieten we alles ongeopend in de plastic zakken staan. Rijstkorrels plakten onder mijn zolen. Natte handdoeken lagen op de grond. Ik herinner me de druk van je handen tegen mijn rug. Hoe je me dichterbij bracht, voorkwam dat ik wegglipte.
 De volgende ochtend spoelde ik de avond van me af. Een koude wind liep langs mijn rug. Door een kier in de douchecabine keek je toe. Ik deed alsof ik de zeep uit mijn ogen spoelde en hield mijn gezicht onder de kraan tot je de deur weer sloot.
 Van de overige dagen herinner ik me niets. Waren het er twee, drie? Dagen die achteraf in elkaar vloeiden tot een lange plakkerige dag onder de dekens. Romantisch, durf ik te geloven als ik genoeg vergeet. Toen leek het genoeg. In de maanden, de jaren daarna, zouden we het vaker zeggen. Als je naast me in de bibliotheek zat, tijdens colleges, of als ik dronken over de grachten naar huis fietste: het zou hier Brussel moeten heten.
 De laatste dag op kantoor rook ik mezelf. Een zure geur had zich in mijn pak genesteld. Of ik nog een uitspraak kon opzoeken, vroeg de medewerker. ‘Mijn trein,’ loog ik. Ik maakte het rondje, schudde handen, bedankte voor de tijd. De partner vroeg wat me het meest was bijgebleven.
 ‘Het appartement.’
 Glimlachend pakte hij zijn BlackBerry. Ik vroeg me af bij welk lijstje dit hoorde.
 In de trein drong Amsterdam zich weer op. De gezichten bekender, de taal harder, het landschap vlak.
 ‘Hoe was het?’ stuurde mijn vriendin.
 ‘Mooi.’
 

Jaren later trouwde een collega in Luxemburg. Een landhuis in een vallei. Het eind van september. Op de terugweg stapte ik in Brussel uit. Misschien omdat het makkelijker was dan jou weer voorbij te rijden. Brussel was geen vreemde meer. Ik had meer pakken, was in meer restaurants met witte handschoenen geweest. Ook jij kende de stenen van de stad. Al een paar jaar werkte je daar als correspondent. De beloftes om langs te komen maakte ik niet meer, en ook jij herinnerde me er niet meer aan.
 ‘Koffie?’ stuurde ik.
 ‘Wordt lastig op afstand.’
 ‘Ik kan langskomen.’
 ‘Dat doe je toch niet.’
 Ik stuurde mijn locatie.
 Je haalde me op bij Brussel-Midi. Over je schouder een handtas die ik nog nooit had gezien. Zwart, dik leer. Zilveren schakels.
 ‘Mooi pak.’
 Ik leunde voorover voor een kus. De geur van shampoo prikte mijn neus.
 Op ons na waren er alleen een handvol andere mensen. Mannen die met strobezems de resten van de donderdagavond voerden aan de schoonmaakwagens.
 ‘Het is verderop.’
 Ons zwijgen werd verstoord door krassende borstels die de kasseien boenden.
 Het was rustig in het café. Een kleine ruimte met allemaal verschillende stoelen. Een jongen kwam aan onze tafel.
 ‘Ze hebben geweldig brood, hier,’ zei je. ‘Ze maken het ze-’
 ‘Mijn trein gaat over een half uur.’
 Je knikte, maar zei niets en bestelde zonder van je telefoon op te kijken twee cappuccino’s. Je Frans was zacht en helder, alsof je hier alles zong.
 We zaten aan het grote raam van het café en bekeken de mannen en vrouwen die gehaast over de schone straten liepen.
 ‘Is de koffie wel heet genoeg?’ vroeg je.
 ‘Precies goed.’
 Waar werkte je nu aan, vroeg ik.
 ‘Ik moet vanmiddag een stuk insturen over het paleis van justitie.’
 ‘Nog insider informatie nodig van een advocaat?’
 ‘Het is niet zo’n stuk. Het gaat over de renovatie.’ Het gebouw was al jaren in verval, zei je. De stellages stonden er al zo lang, dat ze zelf stellages nodig hadden.
 Had ik het paleis van justitie ooit gezien?
 Je nam een slokje van je koffie. Ik schraapte de laatste restjes melkschuim weg en dacht terug aan de bibliotheek. Aan al die middagen dat we naast elkaar zaten, de koffies bij de Coffee Company, de pasta Gamberetti bij Vapiano. De studieboeken als alibi. Goedkope spijt.
 ‘Waar denk je aan?'
 ‘Wat?’
 ‘Je zit zo voor je uit te staren.’
 ‘Waar is het toilet?’
 Toen ik terug kwam stond je bij de uitgang te wachten.
 

De straten liepen vol, maar jij ontweek moeiteloos de massa. Een zwart leren jasje, een hoge spijkerbroek. Ik probeerde niet te staren. Bij het stationsplein nam ik afscheid.
 ‘Ik loop wel mee.’
 We stonden naast elkaar op de roltrap. Je krullen korter dan je ze vroeger had. Je ontmoette mijn ogen en keek aandachtig, alsof ook jij bijhield wat veranderd was.
 Boven rook het naar staal en urine. Een warme tocht trok over het perron. We keken naar elkaars opgetrokken neuzen en lachten. Ik sloeg mijn armen om je heen. Een lichte zweetgeur hing onder de shampoo.
 Schrapend kwam de trein tot stilstand. Mensen persten zich langs ons heen. Je deed een stap naar achteren. Ik stapte op de trein. We zwaaiden. Onderweg naar Amsterdam scrolde ik door onze oude berichten. Zocht op Brussel.



2. De herhaling van April - Dieter Rogiers

Sandra hield haar badge tegen het zwarte oog. Groen licht. Een klik. De stalen deur schoof open met een zucht van chemische citroen en de valse frisheid van een ruimte waarin mensen komen en gaan zonder ooit te vertrekken. De warmte kleefde in dikke lagen tegen de muren. Een probleem met de radiatoren, beweerde de instelling, maar het was eerder hoop die jaar na jaar bleef hangen, tot het beton er stroperig van werd.


Onder haar strakke harnas – een marineblauwe blazer van goedkope wol –

plakte haar hemd al aan haar rug. Het was pas april. Haar lichaam liep weer eens hopeloos achter op de kalender. Soms meende ze dat haar lijf nog in maart woonde en weigerde te verhuizen.


Naast de automaat waren de witte bekers netjes gestapeld. Wervels van plastic. Ze nam er twee, hoewel Eva in acht jaar nooit koffie had gevraagd. Maar ze zei ja tegen alles wat heet was en de keel schroeide.


De beveiliger knikte. Hij negeerde haar gezicht. In dit soort instellingen zat je identiteit in je badge, niet achter je ogen.


‘Morgen,’ mompelde ze. Ze gunde hem haar volle stem niet.


Eva wachtte in kamer drie. In het begin brachten de bewakers haar, met

sleutelbossen die rammelden als bestek in een ziekenhuiskar. Tegenwoordig lieten ze haar zelf de weg vinden. De blauwdruk van het gebouw stond inmiddels onder haar nagels gekrast. De hiërarchie van de gevangenis was in haar geslepen: ze stond op zodra Sandra binnenkwam, een reflex vanuit de knieën.


‘Je bent vroeg.’


‘Twee minuten.’


‘Twee minuten te vroeg.’


In de hoek stond nog steeds de plant. Ze was drie jaar geleden gestorven, maar weigerde om te vallen. Haar droge bladeren hielden haar in een postmortale wurggreep overeind.


De tafel tussen hen glansde vet van de zeep. Sandra legde de map erop. Op het kartonnen lipje stond Liekes naam, in dat ambtelijke blauwe handschrift van 2018, gestold in de tijd.


‘Hoe slaap je?’


‘Redelijk.’


‘Angstklachten?’


‘Minder.’


Sandra’s pen bewoog over het papier zonder dat haar ogen volgden. Haar

vingers kenden de route; de herhaling van april zat in hun kootjes na acht jaar lang dezelfde maand op te vragen. Soms bladerde ze terug en zag ze zinnen uit 2020 staan, hergebruikt twee jaar later, en nu.


‘Je schrijft sneller dan vroeger.’


‘Meer ervaring.’


‘Minder geduld.’ Haar stem had de hardheid van een kiezel.


Een onvrijwillige warmte golfde vanuit Sandra’s borstbeen omhoog en kleurde haar wangen rood. Haar rug werd in een klap zompig. Onder haar oksels spande de blazerstof zich als een dwangbuis. Ze tastte naar haar knopen. Haar vingers voelden onhandig en dik.


Eva keek hoffelijk weg. Die gratie was nieuw. In het eerste jaar had ze nog die koortsige blik van pasgevangenen gehad; ze vrat de klok op met haar ogen, de speld in Sandra’s haren, de plastic roerstaafjes. De blik van iemand die ineens beseft dat ze een lichaam heeft, en dat dit opgesloten kan worden. Haar tijd in de instelling had de scherpe randen weggesleten. Mensen in de buitenwereld zouden haar nu betrouwbaar noemen. Een vrouw die de geraniums niet vergeet te wateren.


De map lag dicht, maar Lieke lag er bovenop. Niet als geest – Sandra geloofde niet in geesten; geen echte, geen metaforische – maar als een feit. Lieke van den Bergh. Zesentwintig. Rook naar krijt en krijsende kinderen. Dood op een dinsdag. En dan was er de hond in het dossier. Haar bordercollie die drie nachten lang in het appartement had gejankt, tot de buren de politie belden. Soms dacht ze vaker aan het dier dan aan het dode meisje. Een moreel manco. Een van de vele.


‘De commissie is akkoord.’


‘Onvoorwaardelijk?’


‘Je komt vrij eind mei. Met wekelijkse meldingsplicht. Je afspraken met de

psychiater liggen vast.’


‘Dus dit is onze laatste april?’


De woorden sneden een kier in het raamkozijn, waardoor de koude buitenlucht naar binnen kroop. Sandra nam een slok koffie. Ze smaakte enkel het lauwe plastic van de beker.


‘Waarschijnlijk.’


‘Jammer. Ga je me missen?’


‘Ik zie ook andere mensen, Eva.’


‘Maar niet in april.’


Het dode meisje bewoog tussen hen in. Sandra opende de map. Ze keek naar de vakantiefoto in een bijlage. Lieke in de zon, haar ogen in spleetjes tegen het licht. Geluk als iets fysieks. Sandra had de foto in geen jaren aangeraakt, maar kende de bedeesde glimlach beter dan de gezichten op haar schoorsteenmantel.


Buiten piepte het karretje van de schoonmaker. Zijn vulgaire lach werd

opgeslokt door het beton en vervormd, alsof de lach uit het diepe water kwam.


‘Heb je plannen?’


‘Voor de wereld?’


‘Voor jezelf.’


‘Slapen. Koffie. Misschien een baantje.’


Sandra noteerde niets.


‘Ik dacht dat we misschien samen koffie konden drinken. Buiten.’


Geen verleiding. Geen smeekbede. Een vervolgafspraak, meer niet. Sandra

schrok er niet van dat ze het vroeg. Ze had dit scenario eerder uitgedacht. Alleen de exacte formulering had ze tot vandaag opgespaard. De hitte kroop langs de pezen van haar hals. Maart, dacht ze. Mijn lijf hangt nog in maart.


In maart had ze haar miskraam gehad. Niet dit jaar, Jezus, jaren geleden, maar elke maart werd Sandra’s huid klam en onbetrouwbaar. Dan rook ze de badkamer weer. Het bloed had zwart als koffie geleken op de badkamertegels. Haar ex had de ambulancebroeders nadien Nespresso ingeschonken. Mannen moeten nu eenmaal iets met hun handen doen als hun vrouw leegloopt waar ze bijstaan.


‘Koffie lijkt me niet verstandig,’ zei ze.


‘Thee? Warme chocomelk?’


‘Buiten? Dan liever iets sterkers.’


‘Je hebt nog vijf weken. Denk erover na.’


Sandra klapte de map dicht. Het karton loste een schampschot in de kleine

ruimte.


‘Zo werkt het systeem niet.’


‘Het systeem werkt niet, nee.’


De daaropvolgende stilte was niet pijnlijk. Ze voelde comfortabel aan, en net dat boezemde Sandra angst in. Het was de stilte van pantoffels in de gang.


Sandra keek naar haar handen op de glanzende tafel. De handen van een vrouw die ouder werd. De huid was dun en gevlekt, met kleine bruine stipjes bij de knokkels: zonneschade van hete zomers uit haar jeugd. Haar lichaam transformeerde, rimpelde en verviel, zonder dat ze daarvoor toestemming had gegeven.


Toen de zoemer ging, stond Eva als eerste op. Ze dronk haar koude koffie in één gulp leeg.


‘Ik bedoelde echte koffie,’ zei ze. ‘Niet deze troep.’


Daarna stapte ze de gang in. De deur viel dicht met een plof.

Sandra bleef zitten in chemische citroen. Voorbij de deur bewoog de instelling log verder: een zwaar, zwetend lichaam dat niet doorheeft wanneer het hart een tel of twee heeft overgeslagen. Ze zag zichzelf hier zitten in april volgend jaar. Dezelfde tafel, dezelfde blauwe blazer, dezelfde vragen. Maar een andere man die zijn vrouw had geslagen, een andere vrouw die haar partner had vermoord. Er zou een vreemde zitten op de stoel tegenover haar. En het ergste was, merkte ze, dat die gedachte niet de vorm van opluchting aannam, maar van een vonnis.


Lees meer van Dieter Rogiers: 

https://dieterrogiers.com/auteur/



3. Een uur zonlicht in de gevangenis - Erin Agbetor

Brief 1

Beste Judoco,

Mijn lieve monomaan, ik wil u nog bedanken dat u mij wilde vergezellen naar het literatuurfestival. Het was een hartverwarmend tafereel om zoveel auteurs bij elkaar te zien. Ik wil u dan ook mijn spijt betuigen dat we zo vroeg moesten vertrekken; een oude rivaal impliceerde dat het tijd voor mij was om te gaan. 

Nu, ik heb veel geleerd van je prachtige beeldspraak. Tot mijn schuld moet ik bekennen dat ik zelf soms aan mozaïekplagiaat doe, maar uw teksten waren prachtig en origineel. Ik hoop u snel persoonlijk verder te kunnen spreken over de prettige wereld die literatuur bevat.

Groetjes, 

Je vriendin uit dezelfde gang.


Brief 2

Lieve Penny,

Noem je me nu nog steeds een monomaan? Het is best grappig dat jij zoiets durft te zeggen. Ik ben wel geobsedeerd door schrijven, maar zo erg nu ook weer niet. Ik vond het ook leuk met jou. Het was inderdaad een mooi en intrigerend tafereel. Over je rivaal: ik hoop dat wie het ook is, hij je niet te veel last bezorgd.

Als ik je brief zo lees, vind ik je archaïsme heel knap. Wees ook niet te streng wat je mozaïekplagiaat betreft. Je denkt hard na over de woorden van anderen; tenslotte is alles niet al een keer door iemand gezegd, maar dan op een andere manier? Het vlijt me echter dat je mijn teksten origineel vindt.

Je vriend uit dezelfde gang.


Brief 3

Dank u voor uw brief, Judoco.

Wat de naam monomaan betreft: voor mij is het een herinnering aan het moment waarop wij elkaar voor het eerst ontmoetten. Ik moet vaak terugdenken aan die middag in de bibliotheek. U zat daar zó diep begraven onder vellen papier dat ik mij afvroeg of u er ooit nog onderuit zou komen. Toen ik u vroeg of ik dat ene dikke boek met de versleten rug naast u mocht lenen, gaf u geen krimp. U bleef fronsen naar uw papier, terwijl u onverstaanbare woorden mompelde.

Pas toen u eindelijk opkeek en mij met die verwarde blik aankeek, vroeg u slechts: “Waarom?” U leek het dichtgeslagen boek bijna te beschermen, alsof het afstaan ervan u uit uw concentratie zou rukken. Toen uw buik vervolgens zo luid knorde dat het door de stille gangen galmde, en u toegaf dat u die dag nog geen hap had gegeten, was de diagnose gesteld: een rasechte monomaan.

En die inktvlekken op uw mouwen? Ik vermoed dat u het inktpotje opnieuw had omgestoten—nietwaar? Wat mijn rivaal betreft: maak u geen zorgen. Ik ken haar al sinds mijn jeugd en beschouw haar als een waardige tegenstander. Dank u hartelijk voor uw brief.

Je vriendin uit dezelfde gang.


Brief 4

Lieve Penny,

Ik wist niet dat je zo over mij dacht. Ik was inderdaad wat klunzig bij onze eerste ontmoeting. Ik was hard bezig met de deadline van een schrijfwedstrijd. Nu, ik hou eigenlijk helemaal niet van zulke wedstrijden. Ieder gebruikt er zijn woorden om de jury om te kopen met dingen die volgens hen interessant en goed zijn. Het voelt niet meer als vrij schrijven. Het is niet die ruwheid en hartstochtelijkheid waar ik zo van hou.

En dat boek herinner ik me zeker. Dat is wat ons heeft samengebracht, toch? Het boek met de titel: Complexiteit hoeft geen strijd te zijn. Maar meer nog herinner ik me wat je antwoordde toen ik vroeg waarom je het boek wilde. Je keek me strak aan en zei plots: “De muren van een nauwe gang lijken me te omsluiten. Het is donker en er lijkt geen einde aan te komen. Waar zijn jullie mensen? Zitten jullie dan elk in dezelfde gang die licht omvat? Is er een weg naar jullie? Iemand moet toch achter de volgende gang staan, is er dan niemand met wie ik samen kan wandelen? Ik wil een vriend, een vriend uit dezelfde gang.”

Dit is waar onze vriendschap uit bestaat, is het niet? Ik waardeerde het hoe je nadacht over zulke dingen; dit is waarom we op elkaar lijken, waarom we samen zijn gaan wandelen. Trouwens, waarom ben je zo mysterieus wat je rivaal betreft? Vertel me waar dit om draait.

Groetjes,

Je vriend uit dezelfde gang.


Brief 5

Dag Judoco,

Dat je mijn woorden nog zo goed herinnert. Ik probeer heus niet mysterieus te doen. Ik vind het fijn als je weet wat ik denk, ik wou je gewoon niet lastigvallen. Maar nu je zo aandringt: mijn rivaal Catrin is heel anders dan ik. Ze woonde in mijn dorp en we spraken vaak af om samen te schrijven. We waren vaak tegenstanders in wedstrijden of probeerden de mooiste blog te maken.

Nu, Catrin schrijft om heel andere redenen. Ze schrijft omdat ze er veel talent voor heeft. Vooral in content- en technisch schrijven is ze heel goed. Ze vindt gemakkelijker werk in het schrijven dan ik. Judoco, ik wil ook schrijven als mijn levenswerk, maar ik schrijf niet altijd even correct of goed. Ik kan mijn gedachten goed op papier zetten en daar hou ik ook van, maar wie wil mijn gedachten nu lezen? Wie zou er geld voor geven?

Ik schrijf omdat ik het nodig heb, Judoco. Het heeft mij gered. Schrijven is een vorm van kunst. Alleen, anders dan een schilderij of een beeld, is het niet iets dat je adem met slechts één blik kan doen benemen of je meteen verwondert. Het is niet als een puzzel die maar op één manier in elkaar past. Het is veel ingewikkelder dan dat. Ik voel op een bijzondere manier hoe het mij gelukkig maakt. Iets creëren, gevoelens verwoorden, het vastleggen van momenten en emoties. Vragen op papier zetten en in latere teksten zien hoe je ze zelf beantwoordt.

Ik kan me niet inbeelden hoe mijn leven zonder schrijven zou zijn. In een onstabiele wereld waar ik nooit genoeg was, kon ik zijn op papier, wandelen als in woorden. Zijn zoals ik ben. Alsof mijn gedachten pas echt mijn gedachten zijn als ik ze verenig op papier. Catrin is niet zo. Maar zij bereikt zoveel en lijkt zo gelukkig. Haar gang lijkt zo verlicht, alsof ze wandelt met de zon. Waarom is onze gang soms zo donker?

Je vriendin uit de zelfde gang.


Brief 6

Lieve Penny,

Weet dat niets wat je vertelt mij zal lastigvallen; je mag mij storen zoveel je wil. Ik begrijp hoe je over het schrijven denkt; het brengt mij dezelfde gevoelens. In deze gang zijn we het vaakst, zullen we altijd samen zijn. Complexiteit is een donker spel, Penny. Tegen het leven dat we zo intens willen, zeggen we volmondig JA, maar net zo zeggen we MAAR?

Weet je nog dat ik vroeger steeds zei dat als je kleine vissen wil vangen, je in ondiep water moet blijven? Daar is het licht. Daar schijnt de zon waar Catrin in wandelt. Maar de vissen zijn er klein en doorzichtig. Als je grote vissen wil, de dingen die er echt toe doen, moet je het diepe in. En ja, het is heel donker op de bodem van de zee, maar denk aan die mooie grote vissen. Maken ze je op een bepaalde manier niet gelukkig?

Je vriend uit dezelfde gang.


Brief 7

Beste Judoco,

Uw woorden over diepzeevissen hebben mij de hele nacht wakker gehouden. U heeft gelijk, ze zijn prachtig. Ik zie ze voor me: wezens die door een eeuwige nacht zweven, onaanraakbaar en puur. Ze maken mij gelukkig, ja. Ze zijn de reden dat ik blijf schrijven, dat ik blijf zoeken in die duistere gangen van ons.

Maar Judoco, hoe diep moet ik gaan vooraleer het licht van de wereld boven mij definitief dooft? U bent een sterke zwemmer, u verliest uzelf in uw passie en vindt altijd de weg terug naar de oppervlakte, al is het met inktvlekken op uw mouwen. Maar ik… wat als ik de bodem bereik en merk dat de druk te groot is? Wat als ik de vissen zie, maar mijn adem tekortschiet? Wat als ik verdrink in die complexiteit die u zo omarmt? Als ik Catrin zie, denk ik: wat moet ik doen voor dat licht? Al is het maar een uur zonlicht in de gevangenis.

Groetjes,

Je vriendin uit dezelfde gang.


Brief 8

Lieve Penny,

Blijf niet zoeken naar het antwoord op wat er gebeurt als je verdrinkt, zoals naar een vlinder die steeds uit je handen ontsnapt en vrij wil blijven vliegen. Penny ik wil niet dat je de diepte, de complexiteit als een gevangenis gaat zien. Ik zal naast je zijn.

En als het moet, trek ik je naar de oppervlakte. Maar liever nog laat ik het water beneden schijnen zoals boven. Misschien is het niet dat uurtje zonlicht dat je zal verlichten, maar zijn het de vissen die de donkere zee doorbreken.

Ontmoet me woensdag om 14 uur bij de bibliotheek.

En onthoud dit: je bent sterk, Penny, al geloof je soms van niet. Je zult niet zinken.

Je vriend uit dezelfde gang.



4. Hoeders van Italiaanse kattenmoeders - Debora Degreef

Ooit kende ik haar.

Staat het verleden garant voor de toekomst? Wat als haar lach niet meer straalt of de pretlichtjes in haar ogen gedoofd zijn? Ik verlang naar de manier waarop ze ‘Emilio!’ riep, met dikke l en open o.


De vrouw die ik kende, was eigenlijk nog maar een meisje.

We slenterden langs de waterkant, maakten plannen voor de toekomst en lieten steentjes stuiteren over het water. Haar lukte dat beter. Ze kon goed werpen. Haar vader zei gekscherend dat ze met een bal aan haar hand was geboren. 

Zij werd Palestina genoemd, verbasterd van Pallastina. ‘Palla’ is bal in het Italiaans. Stina was haar echte naam.

‘Emi-l-ióóó, laten we naar Genua gaan.’

‘Wat is daar?’

‘Een kattenopvang.’

Dat was haar logica. En ik begreep die. Misschien als enige. Ik denk dat het strenge, katholieke milieu haar deed vluchten. Ze vertrok zonder afscheid.


Ik sta aan diezelfde waterkant en laat de steentjes door mijn hand glijden. Op mijn ringvinger zit een bleke afdruk, als een litteken dat mijn fout verraadt. Ik werp de steentjes een voor een. Het lukt nog altijd niet.

In de verte komt de schemering naderbij. ‘We worden ingehaald door de tijd,’ zei Palestina dan.

We zijn zeker ingehaald door de tijd. We waren zestien. Nu zesenveertig. 

Ze was nooit ver uit mijn gedachten. Ik vond het fijn om haar dicht bij me te hebben, om haar bijzondere woorden te herhalen. Ik bracht ze over op mijn kinderen. 


We zoenden achter de olijfgaard van Toni Marciano. Het was een kus die de wereld omvatte. Het was voor altijd.

‘Dit is mijn vriend Emilio.’ Zo introduceerde ze mij bij haar vriendinnen. ‘Hij wordt later een rijke zakenman. Met zijn geld zetten we in elke stad een kattenopvang op. Wij worden hoeders van Italiaanse kattenmoeders.’


Ik glimlach. Mijn oudste zoon was zes jaar toen hij die oneliner op school riep. ‘Zijn vader heeft meer van die bijzondere uitspraken,’ verklaarde mijn vrouw tegen de juf.


Mijn vrouw heeft nooit geweten van Palestina. Ik wilde het niet delen. Palestina was mijn geheim. Palestina was van mij.

Kun je iemand bezitten die niet meer in je leven is?

Ik vond van wel.


‘Emilio, waarom heb jij geen dromen?’

‘Die heb ik heus wel.’

‘Jij wil zakenman worden.’ Palestina stelde het als feit.

Ik haalde mijn schouders op. Het liefst zat ik de hele dag in de boeken, maar dat deed een zakenman natuurlijk niet.

‘Eigenaar van een ijssalon?’ Ze likte over mijn wang.

‘Nee, te afgezaagd.’ Het was tenslotte Italië, met op iedere hoek van de straat een gelateria.

‘Een hotel dan?’

‘Hmmm, niet mijn ding.’ Ik zag het louche hotel in de Apennijnen voor me waar mijn ouders ieder jaar op vakantie gingen.

Ze trok in een vloeiende beweging het elastiek uit haar haren en liet haar haren als een waterval over haar schouders rollen.

‘Maar een zwembad lijkt me wel wat.’  

‘Dan wordt het een zwembad. Dat komt goed uit, want de katten moeten soms in bad.’


Had ik die jeugdige onbevangenheid maar in een potje kunnen stoppen, om haar soms eventjes op te snuiven. Want tegelijkertijd met Palestina’s vermissing, van de ene op de andere dag, was alle levensvreugde verdwenen. Verhalen over een ontvoering gingen de ronde. Daarna werd het moord door een bloeddorstige Amerikaan. Ik wist dat ze weggelopen was. Zo was Palestina. Ze was geen meisje dat vermoord werd.

Ieder jaar zocht ik haar in Genua. Op elk plein liet ik posters achter, geplakt om lantaarnpalen. In elke steeg kraste ik haar naam in muren. Er kwam nooit antwoord. Palestina leek van de aardbodem verdwenen.


Jaren gingen voorbij. Jaren waarin ik minstens drie keer per jaar een poging deed om haar te vinden. Als er iemand was die haar kende, dan was ik het wel. We zouden trouwen. We zouden kattenopvangcentra starten. We zouden die mormels wassen in mijn zwembad.


Het toeval wilde dat ik mijn vrouw leerde kennen tijdens een van die tripjes door Genua. Ze leunde nonchalant tegen een bushokje en vroeg een sigaret. Ze deed me denken aan Palestina, het meisje dat ik al vijftien jaar zocht.


Mijn vrouw leerde me Palestina te vergeten, tot op zekere hoogte. Want Palestina kwam en ging wanneer het haar uitkwam. Op het toilet, tijdens de communie van onze dochter, in een winkel waar ik een oude man hielp met zijn boodschappen. Het was vaak niet meer dan een flits, een kleine herinnering aan onze momenten samen. Dan beeldde ik me in hoe het had kunnen zijn, met haar. Een beklemmend gevoel, genaamd spijt, greep dan mijn hart en wilde niet meer loslaten. En hoe mijn vrouw haar best ook deed, ik belandde in een depressie die zij ‘het dipje van papa’ noemde.


Ik had zo mijn dipjes. Omdat ik Palestina ooit kende. Omdat ik haar miste. Omdat ze inmiddels een vrouw was en het idee ondraaglijk was dat iemand anders haar het hof maakte. Lorenzo, Nino, Leonardo, Gianni. Ik wilde ze allemaal een klap verkopen. Ik hoorde Palestina lachend zeggen: ‘Emilio, zo ben jij niet. Wie geboren is als gentleman, wordt geen beul.’
 

Mijn zoon wilde leren boksen. 

‘Waarom?’ vroeg ik. 

De kleine Marco haalde zijn schouders op en keek naar de grond. ‘Gewoon.’

‘Is het vanwege die jongens op school?’ Marco werd gepest door ouderejaars. Er waren gesprekken geweest met leraren en ouders. ‘Jongen, wie geboren is als gentleman, wordt geen beul.’

Hij keek op. ‘Gentleman, wat is dat?’

‘Dat ben jij. Een beleefde, lieve jongen. Een jongen die het ver gaat schoppen in de wereld.’ Zijn gezicht klaarde op. De bokslessen waren van de baan. 

Zo had Palestina het leven van mijn zoon gered. Zoals ik al zei, ze was nooit ver weg.


Het huwelijk met mijn vrouw had al drie bijna-doodervaringen doorstaan, toen ik mijn Palestina terugvond. Compleet onverwachts. En precies zoals Palestina het gewild zou hebben. De televisie toonde hoe het nationale handbalteam had gewonnen van Frankrijk. Speelsters werden geïnterviewd en toen waren daar de woorden die me op deden kijken van mijn puzzelboek. Ene Tina Faviolo nam als coach afscheid van het team.


‘Ik heb alles bereikt wat ik wilde bereiken, heb een mooie tijd gehad in deze sport, maar het wordt tijd voor een nieuw hoofdstuk. Er wacht een kattenopvang op me in Genua.’ De interviewer stelde nog wat nietszeggende vragen. De vrouw van midden veertig keek hem brutaal aan. Het was de mond en het waren de ogen die bij Palestina pasten. Het meisje dat de vrouw was geworden. Het meisje dat ik ooit kende.


Slapen deed ik niet die nacht. Ik doorzocht het hele internet en vond alle artikelen over haar carrière. Palestina, Stina met de bal. Ik had het kunnen weten. Ik had het moeten weten. En toch Genua. Ik was boos, verdrietig, opgewonden en vooral teleurgesteld in mezelf.

Het duurde drie dagen voordat ik haar een bericht stuurde via Facebook. Eerst zorgde ik voor een nieuwe profielfoto, van een succesvolle zakenman. Daarna bedacht ik de tekst. Ik herschreef hem minstens dertig keer. Uiteindelijk werd het de kortste versie, omdat kordaatheid beter bij Palestina paste. ‘Hai, Emilio hier. Ken je me nog? Uit Vado Ligure.’

Het duurde niet lang voordat ze antwoordde: ‘Emilio!!!! Ik heb je gemist. Spreken we af?’

Toen ontdekte ik waarom ik haar nooit had gevonden. Ze woonde op Corsica. ‘Ik kom op vijftien mei in de avond aan in de haven van Vado Ligure. Zie ik je daar, op onze plek?’


Dit bankje, de middelste van de drie, was onze favoriet. Hij helt iets achterover, waardoor je voeten van de grond komen. Ik ga zitten. Hij voelt nog hetzelfde. 

‘Wat doe je tegenwoordig, Emi?’ schreef ze.

‘Ik run een keten van uitgeverijen. Sorry, het zwembad is het niet geworden.’

‘De toekomst is geduldig.’ Daarmee bedoelde ze dat het altijd nog mogelijk was. ‘Ik begin ook nu pas als hoeder van Italiaanse kattenmoeders.’

‘Iemand moet je helpen. Hoeder in het enkelvoud bekt niet. Het hoort hoeders van Italiaanse kattenmoeders te zijn.’

‘Emi, hoor ik nou dat jij je aanbiedt?’

Ik aarzelde niet en liet mijn advocaat scheidingspapieren opsturen naar mijn vrouw.


Vanuit de verte doemen lichten op. Op die boot zit de vrouw die ik opnieuw leer kennen. Het is gek om weer verliefd te zijn. De lichtjes van de boot weerkaatsen in het dansende water.


We keken vaak naar deze ferries. Soms zwaaiden we naar mensen op het dek. Dan trok Palestina haar topje naar beneden en ontblootte ik mijn kont.

Er staat iemand op het dek. ‘Emilio!!!! Emilio!!!!’ Haar stem is een beklemmende bevrijding. Mijn hand gaat omhoog en groet terug. Ze trekt haar shirt omhoog. De afstand is te ver om haar ontblote borsten te kunnen zien, maar ik weet dat het zo is. Ik ga staan, draai me om en trek mijn broek naar beneden.

‘Jij bent gek, Emi!’

Alle twijfel smelt. 

Ooit kende ik haar, dat klopt. Maar ik ken haar nog steeds.



Lees meer van Debora Degreef: Https://www.deboradegreef.nl.

5. Lupus - Otto Verdrongen

Voor het eerst in mijn leven ben ik ergens stipt op tijd. Het is ook maar een halve minuut wandelen van het appartement van mijn moeder tot mijn bestemming. Ik weet niet wat de psychologie erachter is, maar als ik bij mijn moeder ben, heb ik altijd de neiging schoon schip te maken met dingen. Dan ga ik bijvoorbeeld opeens, met haar spons, zeemvel en emmer, mijn wagen wassen. Of ga ik naar de kapper om de chaos van mijn verstrooide haardos in te tomen. Heeft die neiging tot orde en perspectief te maken met de herinnering aan opgroeien in dit kleine stadje, ver van waar ik nu woon? Is het een regressie naar de tijd dat nog alles moest gebeuren, dat alles nog mogelijk was? 


De kapperszaak ligt in het begin van het ooit zo gezellige straatje van de kleine Limburgse stad. Het ligt vlakbij de school waar ik middelbaar liep. Een streng college dat me nog altijd rillingen bezorgt wanneer ik er langsloop. Sinds de aanleg van een winkelcentrum in de buurt, verdwijnt één voor één wel een winkel of taverne. De school blijft uiteraard. Ook kapsalon Farid blijft overeind. Haar moet altijd geknipt. Ik kom binnen in een land waar gekleurde wandtapijten tussen de spiegels hangen en waar de spiegels omkaderd zijn met krullend goud. Onder elke spiegel staat een muurtafeltje met daarop een theelichthouder, een mozaïek van levendige kleuren en vormen. Het kaarsje dat erin zit, brandt niet. Afgezien van enkele wandkasten en trolleyrekken met daarin alle typische benodigdheden is de ruimte voorts eerder sober. Er hangen geuren van patchoeli en oceanen, van haren in de wind, van pepermunt en gember. Farid voert een levendig gesprek in het Arabisch door zijn smartphone. Ik zet me op een brede bank waar niemand anders zit. Geen kapstok te bespeuren dus ik leg mijn jas naast me neer. Toch iets vertrouwds dicht bij mij. 

Ergens klinkt een vertelstem en aan de geluiden te horen staat er een natuurdocumentaire op, maar het volume staat te laag om te verstaan in welke taal. Farid gebaart me zonder opkijken dat ik plaats mag nemen op het stoeltje recht tegenover me. Een ogenblik later staat hij achter me. Onze blikken kruisen elkaar in de spiegel. Hij kijkt me eerst even verwonderd aan, maar knikt dan geruststellend. Zijn haar is pikzwart en hij draagt een ietwat oubollige grijze debardeur waaronder een vlekkeloos wit hemd. Fijn dat het zo snel gaat want ik moet ’s middags thuis zijn met krakende pistolets voor de kinderen die tegen dan hopelijk hun bed uit zijn. Zo heb ik het beloofd aan mijn vrouw die de hele dag een opleiding volgt over koken met de tajine. 


Terwijl Farid zijn materiaal haalt, kijk ik rond. Ik zie een wolk die een zwerm wezens lijkt te zijn. Hun tanden zijn vlijmscherp. De wolvenroedel draalt rond in een desolaat woestijnachtig gebied. Hier en daar een oplichtende bundel gras. Ook al is het volume van de flatscreen-tv zacht, toch krijg ik rillingen van het onheilspellend gejank dat mijn oren bereikt. Ik lees in de Engelse ondertitels dat elke wolf zijn eigen geluid maakt.


Farid plakt plots een beige strook tape over mijn nek en toont me drie snijkoppen van een tondeuse: “Ik heb zes, negen en twaalf.” Ik wijs naar het mes waarop het cijfer 12 gekerfd staat en bedenk dat dit nog veel te kort zal zijn, maar er is geen weg meer terug. Ik onderga. Terwijl hij er wel erg lang over doet om mijn achterkant kort te scheren en hij dan vanaf de onderkant naarstig naar boven werkt met de messen van twaalf millimeter denk ik aan mijn kinderen die me vierkant zullen uitlachen. Tenminste als ze niet naar mijn hoofd vergeten te kijken, want hun aandacht wordt meestal opgeëist door hun schermpjes. Maar dan stopt Farid met scheren en komt hij aandraven met een schaar. Ik slaak een bijna hoorbare oef van opluchting terwijl hij een pluk van de bovenkant van mijn oude haarsnit omhoog houdt en vraagt: “Die lengte zo goed?” Hoewel het korter is dan normaal ben ik zo blij dat ik niet gemillimeterd word dat ik onmiddellijk instem met de kniplengte. Vingervlug tikt het geluid van het geknip met de klok mee. “Koffietje?” vraagt hij me dan op een bijna gespeeld vriendelijke toon. “Nee, dank je.”


Mijn haar lijkt eigenlijk wel in orde. Farid buigt zich over het trolleyrek dat staat bij een lege stoel wat verderop. Met een mes dat glinstert in het kunstlicht en waarvan de snijzijde dunner is dan papier en scherper dan een keukenmes komt hij op me af. Door de spiegel kijkt hij me met een vreemde blik aan, tussen angstig en zelfgenoegzaam. Waar heb ik die blik eerder gezien? Hij schraapt eerst de haartjes onder de achterkant van mijn nieuwe kapsel, doet dan mijn bakkebaarden en buigt zich tenslotte over me heen om de zone onder mijn baardlijn te kalen. Het geluid doet me denken aan het smeren van een geroosterde boterham. Nog voor ik de pijnscheut voel, zie ik dikke druppels donkerrood bloed over mijn keel druipen. In de spiegel zie Farid naar me kijken. Alles wordt wit, rood en paars en tolt als draaiende cirkels voor mijn ogen. De druppels worden stroompjes die als een dikke stroop naar de bovenkant van het te hard gespannen doek kruipen.


De muilen van twee mannetjeswolven zijn om elkaar gewikkeld als geven ze een tongzoen, maar ze verbrijzelen elkaar. Eén van hen is duidelijk groter en heeft een glanzende vacht die afsteekt tegen de warrige weerborstels die slordig over de andere getrokken lijken te zijn. Hun snuiten zijn bloedrood en het geluid dat ze maken klinkt eerst als gebulder, dan als een sirene. De grote wolf springt uit het scherm op me af, hij ruikt bloed. Zijn muil is groter dan een walvissenbek en ik krijg geen lucht meer.


Alles is even doodstil.


Ik hoor een onbekende stem zeggen in het Nederlands zeggen dat mijn dode lichaam gerepatrieerd moet worden naar het land van herkomst van de moordenaar. Farid klaagt dat hij die kosten niet op zich wilt nemen. Dan lacht hij. Waarom lacht hij? Wolven huilen. Sirenes loeien. Vliegtuigen, helikopters, kanonschoten. Een mensenmassa brult zich om me heen, en iedereen heeft een staart. Fotografen met wolfstanden, de hele koninklijke familie waar elk kind een wolvenwelp is. Hij komt, hij komt!


Hij komt bij, zegt Farid rustig de klant naast hem. Hij zwiert met een reismagazine over Marokko in mijn gezicht. Ik lig op de grond en de klant houdt mijn benen omhoog. Ik grijp naar mijn keel waar ik een grote pleister voel en krabbel recht. “Excuseer, meneer, er gebeurde een klein ongelukje en u hebt er nogal fel op gereageerd.” Ik voel me een beetje gedesoriënteerd maar excuseer me op mijn beurt en kan alleen maar zeggen dat ik ook niet begrijp dat dit gebeurd is. Ik sta recht en zwalp naar de kassa. Ik hoef niet te betalen. Ik hoor mezelf dag zeggen. “Nogmaals sorry, maar hopelijk toch tot een volgende beurt,” zegt Farid. Dan prevelt hij iets dat meer lijkt op Latijn dan op Arabisch. 


De zon is weg en met het korte haar voelt het fris terwijl ik naar mijn wagen wandel. Mijn hoofd duizelt nog steeds wanneer ik over de snelweg raas. Latijn was het. Plots zie ik hem heel helder voor me, een dertigtal jaar jonger: Farid in mijn vroegere school, het college. Farid als enige Marokkaan in de Latijnse les. Farid op de speelplaats. Farid waarmee telkens iemand anders vecht. Iedereen in een kring rond hem op die grote kale speelplaats, hem nawijzend, uitlachend, een “whaaaa” die aanzwelt. Ik grijp eerst naar mijn keel, waar de plakker zich bevindt, hij voelt vochtig. Dan voel ik aan mijn voorhoofd. Warm. Ik streel me een weg naar de achterkant van mijn kapsel. Er zijn oneffenheden, korte kale streepjes. 


“Homo homini lupus” leest mijn jongste zoon een half uurtje later voor. Zijn schermpje ligt op de tafel. De pistolets ernaast. Hij lacht niet maar vraagt heel serieus waarom ik dat in godsnaam heb laten doen. Op mijn hele achterhoofd! En wat er met mijn keel is. “Papa?”

“Wat betekent het eigenlijk?” vraagt de oudste met rollende ogen. Mijn keel is droog als een woestijn en ik krijg geen woord meer over mijn lippen.



Lees verder..

Winnende verhalen 2025 en eerderLimnisa schrijfretraitesVrijblijvende brochure voor herfst 2026

Copyright © 2026 Limnisa for writers - Alle rechten voorbehouden

Ondersteund door

  • Retreats
  • Excursions
  • Wellness
  • Competition 2026 Results
  • F.A.Q.
  • Winning stories 2025
  • Winning stories 2026
  • Privacy Policy

Deze website maakt gebruik van cookies.

We gebruiken cookies om websiteverkeer te analyseren en de ervaring op je website te optimaliseren. Als je het gebruik van cookies accepteert, worden je gegevens gecombineerd met de gegevens van alle andere gebruikers.

AfwijzenAccepteren